homepage Stichting voor Kamermuziek

Toelichting Van Baerle Trio met Isabelle van Keulen

W.A. Mozart (1756-1791) Pianokwartet no. 2 in Es gr.t. KV493 (1786)
  • Allegro
  • Larghetto
  • Allegretto
Het valt na een paar minuten luisteren niet te ontkennen: Mozart componeerde zijn opgewekte tweede pianokwartet “in a high spirit”. Hij had net begin april 1783 zijn wellicht mooiste en meest bejubelde opera “Le Nozze di Figaro” voltooid, had succes met zijn reeks prachtige pianoconcerten, telde in Wenen vele vrienden speciaal onder musici, kortom: Mozart was een gelukkig mens.
Het tweede pianokwartet, zo heel anders dan het eerste in g klein, een typisch mineur-kwartet, is behalve een opgewekt ook een krachtig werk van een componist die zeker is van zijn zaak. Luister naar het gedurfde beginthema met zijn verrassende modulatie en daarna een grote sprong: het lijkt of Beethoven zich al aankondigt. Soms glijden er opeens mineur- schaduwen over het vrolijke landschap, iets wat ons bij de rijpe Mozart niet hoeft te verwonderen. Zulke schaduwen met veel chromatiek trekken ook over de idyllische zang van het tweede deel, waardoor de muziek aan diepte wint. Het lichtvoetig dansende thema van het slot-allegretto krijgt als voortzetting een krachtig motief dat later soms polyfoon wordt verwerkt. Zo handhaaft onze meester het evenwicht bij alle musiceervreugde. Overigens zal men tevergeefs zoeken naar momenten waarin iets van de ‘Figaro” is te horen hoewel alles in dit prachtige werk zingt en danst.

E. von Dohnányi (1877-1960): Serenade in C gr.t. opus 10 (1902)
  • Marcia (Allegro)
  • Romanza (Adagio non troppo)
  • Scherzo (Vivace)
  • Tema con variazioni (Andante con moto)
  • Rondo
Weinig muziekliefhebbers zullen zijn naam nog kennen: Ernst von Dohnányi, Hongaars wonderkind, gevierd als componist en pianist, naderhand ook als dirigent. Tijdens zijn leven was hij bekend en geëerd, ook in de Verenigde Staten, waar hij in 1948 naar toe emigreerde nadat hij eerst nog geruime tijd directeur was geweest van het befaamde Conservatorium van Boedapest. Bij ons horen we alleen nog sporadisch zijn Variaties op een Hongaars kinderliedje voor piano en orkest, en zeer terecht, de Serenade voor strijktrio.
Het ongeluk van Dohnányi was, dat hij zijn leven lang schatplichtig is gebleven aan de romantiek. Hierdoor werd hij naderhand overvleugeld door het moderne élan van zijn iets jongere landgenoten Bartók en Kodály. Zijn wat massieve Brahms-stijl heeft in genoemde werken, maar vooral in de Serenade, plaats gemaakt voor een meer speelse aanpak. De opgewekte Marcia, waarmee de Serenade begint, heeft direct al een lichtere toets. In de daarop volgende Romanza heeft vooral de inzet, een melodieus lied voor altviool en pizzicato-begeleiding, weinig meer met Brahms ter maken. Even koketteert Dohnányi met zijn moderne landgenoten in het polyfone, jagende Scherzo, een groot contrast met de volgende, diepzinnige en harmonierijke Variaties op een eigen thema. De snelle, briljant geschreven Finale grijpt aan het slot effectvol terug op het begin: de musici nemen vrolijk spelend en marcherend afscheid.

R. Schumann (1810-1856): Pianokwartet in Es gr.t. opus 47 (1842)
  • Sostenuto assai - Allegro ma non troppo
  • Scherzo. Molto vivace
  • Andante cantabile
  • Finale. Vivace
Tegenwoordig zouden we zeggen: Schumann componeerde “in clusters”. Zijn eerste werken waren vrijwel uitsluitend voor piano. In 1840 stortte hij zich vol overgave op het schrijven van orkestwerken, waarop een jaar volgde waarin hij, geïnspireerd door zijn jonge vrouw, de pianiste Clara Schumann, een grote serie fraaie liederen produceerde. Daarna “ontdekte” hij in 1842 de kamermuziek. Na het schrijven van drie strijkkwartetten was Schumann niet meer te houden. Op het grandioze pianokwintet in Es volgde vrijwel zonder onderbreking het pianokwartet, eveneens in Es, maar volkomen anders. Hoewel minder bekend dan het niet te overtreffen kwintet heeft de nog nagloeiende inspiratie hier een andere, meer intiem-muzikale weg gekozen.
Schumann was opgetogen. “IJverig en gelukkig” en “Kwartet met grote tevredenheid voltooid” maar ook “slapeloos” noteert de emotionele componist in zijn “Haushaltbuch” (een soort dagboek). En terecht: dit kwartet is meer dan de nawerkende “flow” van het kwintet. Duidelijker dan in dit werk worden in het kwartet Schumanns tegenpolen, Florestan en Eusebius uit Schumanns geschriften over muziek, gekarakteriseerd.
In de langzame inleiding, waarvan het motief het hele eerste deel beheerst, horen we de zachtmoedige, tastende Eusebius. Met vier hieraan ontleende piano-akkoorden markeert de strijdbare Florestan de start van het allegro. Het hierop volgende Scherzo is een romantisch sprookjesbeeld met koboldachtig getrippel. In het melodieuze Andante Cantabile zingen viool en cello een verliefde cantilene terwijl in het plechtige middentafereel Beethoven opeens opduikt. De cello moet voor het slot de C-snaar nog een toon lager stemmen! De hierop volgende Finale met zijn markante fuga-thema (Florestan!) is niet alleen constructief een wonder, ook de lyriek van Eusebius zorgt voor fraaie contrasten. Maar de bruisende levenslust van Florestan domineert.

Peter Visser

terug