homepage Stichting voor Kamermuziek

Toelichting ALMA QUARTET
met Nicolas van Poucke, piano (Nederland)

J. Brahms (1833-1897) Strijkkwartet in f opus 51 nr. 2 (1873)
  • Allegro non troppo
  • Andante moderato
  • Quasi Minuetto, moderato
  • Finale. Allegro non assai
Brahms en Wenen. Dit zou de titel kunnen zijn van een roman over een Noordduitse componist uit Hamburg die in het totaal anders geaarde Wenen zijn tweede thuis vindt. Maar in het kort komt het hierop neer: Johannes Brahms had de lichte levenslustige atmosfeer van de Oostenrijkse cultuur-metropool nodig als tegenwicht tegen zijn zwaarmoedigheid en pessimisme. Een goede betrekking als directeur en dirigent van het Gesellschaft der Musikfreunde en de in de jaren van heen- en weerreizen tussen de twee steden opgebouwde Weense vriendenkring deed Brahms na lange aarzelingen in 1872 beslissen de Weense zon en vreugde voorgoed in zijn hart te sluiten.
Van de twee strijkkwartetten opus 51, kort na die verhuizing voltooid, lijkt het donkergetinte eerste werk nog door de Hamburgse somberheid gedomineerd. Maar hoewel het tweede kwartet net als het eerste in mineur staat is de sfeer radicaal anders. Deze compositie bezit, ondanks vlagen van melancholie, vaak een typisch Weense lyriek en warme mededeelzaamheid. Was Brahms ook niet een bewonderaar van zijn Weense collega’s Schubert en Johann Strauss? De vrouw van Strauss vroeg Brahms eens om een handtekening op haar waaier, waarop Johannes daarop een paar maten van diens “Schöne blaue Donau”-wals noteerde en daaronder schreef: “Helaas niet van Johannes Brahms”.
In ons kwartet opus 51 no.2, dat begint met een fraai gewelfd mineur-thema, gaat al snel het echt Weense licht schijnen in het bijna behaagziek-lyrische tweede thema met zijn tertsen- en sextenpassages. In het hierop volgende andante volgt na een breed gezongen beginthema een ritmisch markant centraal deel, waarna het beginthema in een fraaie cello-variant terugkeert. Het derde deel (Quasi Minuetto) is een weemoedige terugblik op het Weense verleden met een snel motorisch licht trio dat bijna ironisch aandoet. De finale start met een dansend thema vol ritmische vondsten en eindigt weliswaar in mineur maar ook in vliegende vaart met een flitsend coda.

César Franck (1822-1890): kwintet voor strijkkwartet en piano in f (1879)
  • Molto moderato quasi lento - Allegro
  • Lento con molto sentimento
  • Allegro non troppo ma con fuoco
César Auguste Franck. Is het niet curieus, dat één van de grootste Franse componisten uit de tweede helft van de negentiende eeuw de voornamen droeg van twee legeraanvoerders en keizers van het Romeinse rijk? Het wijst ons op een andere kant van de bescheiden, zachtaardige “Père Franck” zoals zijn talrijke leerlingen hem vaak noemden.
Bij de première in 1890 van het pianokwintet in f werd muzikaal Parijs opgeschrikt door een tot dan onbekend geluid van deze eenvoudige organist en componist: de kracht en de felheid, de emotionaliteit (“dramatico” staat bij het begin) van het werk overviel zelfs zijn trouwe echtgenote. Ze verafschuwde het werk, het “joeg haar schrik aan.” Was dit oordeel zuiver muzikaal? Onder de leerlingenkring van Franck was een jonge, zeer getalenteerde, veelzijdige en beeldschone Ierse vrouw, Augusta Holmès, die velen het hoofd op hol bracht. En de gerespecteerde leermeester was, althans volgens getuigen uit de kring van Franck, allerminst ongevoelig voor vrouwelijk schoon.
Maar terug naar de muziek. Het kwintet in f opent de rij van meesterwerken uit de laatste tien jaar van Francks leven. Net als zijn door hem bewonderde collega en tijdgenoot Anton Bruckner (eveneens een groot organist) was César Franck een laatbloeier. De cyclische vorm, waarin één of soms twee thema’s in verschillende delen terugkeren, speelt, evenals in vele van Francks late werken, een belangrijke rol. Zo’n “Idée Fixe” (de benaming is van “uitvinder” Berlioz) verschijnt als tweede thema in het eerste deel van het kwintet en keert in de volgende twee delen duidelijk herkenbaar terug. De inleiding geeft al direct de emotionele tweespalt van het werk: een krachtig, inderdaad dramatisch motief in de strijkers wordt direct gevolgd door een dromerige passage in de piano. Het verstild contemplatieve tweede deel zwerft na het wiegende begin volgens het voor Franck typerende recept door allerlei toonsoorten om uiteindelijk na deze spannende opbouw in het “Idée Fixe”-motief even tot rust te komen. Het werk sluit af met een motorische finale. De strijkers zetten pianissimo in en het opdoemende martiale hoofdthema krijgt eerst gaandeweg gestalte. In het coda viert het “Idée Fixe”, getransformeerd in driekwartsmaat, zijn triomf.
Het grootste deel van het publiek was even overrompeld als enthousiast bij de première. Dit enthousiasme werd merkwaardig genoeg niet gedeeld door de pianist van het uitvoerende ensemble, de behoudende componist Camille Saint-Saëns, schepper van de “Danse Macabre” en het “Carnaval des Animaux”. De bescheiden César Franck had zijn werk aan hém opgedragen. Maar na afloop van het concert verliet Saint-Saëns na het applaus het podium en liet de aan hem opgedragen partituur achter op de lessenaar van de vleugel. Over dankbaarheid gesproken….

Peter Visser

terug