| NIEUWS
|
|
| PROGRAMMA 2026/27
|
|
|
KAARTVERKOOP |
 |
| WIE ZIJN WIJ |
| ARCHIEF |
| JUBILEUM 100 JAAR |
| LINKS |
|
| adverteerders: |
|
|
Toelichting QUATUOR AROD
L. van Beethoven (1770-1827) Strijkkwartet in G opus 18 nr. 2 (1801)
• Allegro
• Adagio cantabile
• Scherzo. Allegro
• Allegro molto, quasi presto
Met de zes strijkkwartetten opus 18 uit de jaren 1798-1801 begaf Beethoven zich voor het eerst op het door Haydn en Mozart gebaande, veeleisende pad van deze kunstvorm. De componist was zich duidelijk bewust van het feit dat het schrijven van een kwartet gelijk stond aan het afleggen van een meesterschapsproef. Met name door bestudering van enige Mozart-kwartetten voelde hij zich goed in staat aan de opdracht van zijn mecenas, de kunstlievende vorst en muziek-organisator Lobkowitz, te voldoen. Tekenend voor zijn zelfkritiek was het feit, dat Beethoven, nadat hij in de zomer van 1800 de serie had voltooid, zich opeens realiseerde dat hij er eigenlijk nog niet tevreden over was: tijdens het compositieproces had hij zijn kwartet-schrijfstijl zó verfijnd, dat hij de gehele serie reviseerde. De geduldige vorst moest tot 1801 wachten tot Beethoven uiteindelijk zijn definitieve ei had gelegd.
De volgorde waarin de kwartetten opus 18 zijn gecomponeerd is niet erg duidelijk en ook van minder belang. In ieder geval bevat deze serie uit de jaren tussen Beethovens eerste en tweede symfonie nog veel elementen van Haydn en Mozart. Dat geldt zeker voor ons tweede kwartet (G groot) dat niet voor niets de bijnaam “Complimenteer-kwartet” heeft gekregen: het openingsthema suggereert een paar hoofse buigingen en heeft dus een rococo-achtig karakter. Ondanks enkele meer krachtige accenten houdt het eerste deel deze charmante stemming vast. Het breed zingende Adagio verrast door een snel, beknopt en motorisch intermezzo in tweekwartsmaat. Ondanks de benaming “scherzo” bezit het derde deel een speels Haydn-karakter. Meer contrast en spanning biedt de snelle virtuoze finale met zijn markante beginthema, ook in de fantasierijke doorwerking met verrassende inzetten in ver verwijderde toonsoorten en bijna romantische vertragingen.
G. Kurtág (geb. 1926) 12 Microludes pour quatuor ŕ cordes (1977/78)
Hij is nu bijna honderd jaar en daarmee vrijwel de oudste nog levende avantgardist uit de jaren vijftig tot zeventig van de vorige eeuw: de Hongaar Györgi Kurtág. Opgegroeid in de periode waarin zijn landgenoot Béla Bartók zijn beste werken schreef is hij uiteraard zeer door zijn grote voorbeeld beďnvloed. Maar ook luisterde hij zoals zovelen in die tijd scherp naar de korte, geconcentreerde werken van Anton Webern, die hij volgde in zijn uiterst beknopte, atonale stijl die ook experimenten als ruimtelijk genoteerde of cluster-achtige muziek niet schuwt. Onder invloed van zijn Hongaarse vriend en leraar Ligeti is zijn latere werk minder streng en fragmentarisch. De 12 Microludes uit zijn eerste periode geven in twaalf ultrakorte deeltjes voor strijkkwartet een goed beeld van deze stijl, waarin elke noot een wereld op zichzelf is.
Luister zo ontspannen mogelijk naar deze ingenieuze fragmentjes, soms mild, soms hard en dan weer lyrisch, soms ook gewoon mooi. En dat alles met gebruik van een grote scala moderne instrumentale effecten. Dit is compromisloze muziek van een componist die als mens door diepe depressies is gegaan om tot hier te geraken. Alleen al zulk eenzaam streven – vergelijkbaar met dat van zijn Estse tijdgenoot Arvo Pärt- verdient respect.
A. Dvořák (1841 – 1904) Strijkkwartet in F opus 96, het “Amerikaanse” kwartet (1893)
• Allegro ma non troppo
• Lento
• Molto vivace - Trio
• Finale. Vivace ma non troppo
Wie zou hebben gedacht, dat de eerste zoon van een achttal kinderen uit het gezin van een eenvoudige slager en herbergier in het kleine Boheemse dorpje Nelahozeves nabij Praag ruim vijftig jaar later het directeurschap op zich zou nemen van het National Conservatory te New York? Antonín Dvořák startte zijn “loopbaan” als slagershulp bij zijn vader en begon zijn muzikale carričre als slecht betaald altist bij een Praags theaterorkest. Zijn kachel stookte hij “met het papier van zijn mislukte composities”. Het moeten er vele zijn geweest, anders had Dvořák de strenge Tsjechische winters niet overleefd...
Er was de hulp van iemand als Johannes Brahms voor nodig om het genie van Dvořák tot roem te laten komen. Daarna ging het snel. Door zijn succesrijke Slavische Dansen wilde men daarna overal zijn werken spelen, met name in Engeland, waar hij het Eredoctoraat in Muziek van de Cambridge University verwierf.
In 1893 vertrok hij op verzoek van conservatorium in New York naar Amerika. Maar als rasechte Tsjech zocht hij in de zomer de rustige Tsjechische kolonie in Spilville (staat Iowa) op om daar zijn opgedane Amerikaanse indrukken klank te geven in het “Amerikaanse” kwartet in F, vroeger wat beperkend “Negerkwartet” genoemd.
In drie dagen schetste hij dit werk, dat behalve fascinatie voor de inheemse muziek (vijftonige melodieën) ook heimwee naar Bohemen vertolkt (de eindeloze zang van het Lento is meer een ode aan de Moldau dan een “Maanlicht over de Plantage”). De swingende finale klinkt soms als een knipoog naar de vroege jazz. Het ritmisch pikante scherzo is op één drietonig motief gebaseerd. We horen hier inderdaad een “nieuwe” Dvořák: bondige, eenvoudige verwerkingen, simpele, kernachtige melodieën. Succes verzekerd!
Peter Visser
terug
|